
Jurisprudentie
AW2740
Datum uitspraak2006-04-19
Datum gepubliceerd2006-04-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers379897 CV EXPL 05-7647
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Datum gepubliceerd2006-04-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers379897 CV EXPL 05-7647
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Indicatie
Tegenvordering/eis in reconventie dient ex art.137 RV dadelijk bij antwoord te worden ingesteld. Pas bij dupliek ingestelde tegenvordering niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK BREDA
Sector kanton
Locatie Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 379897 CV EXPL 05-7647
vonnis bij vervroeging d.d. 19 april 2006
inzake
[eiseres],
gevestigd te [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. T.G. de Jong te Eindhoven,
tegen
1. [gedaagde sub 1],
gevestigd te [adres],
en haar vennoten:
2. [gedaagde sub 2],
vennoot van gedaagde sub 1,
wonende te [adres],
3. [gedaagde sub 3],
vennoot van gedaagde sub 1,
wonende te [adres],
gemachtigde gedaagden: dhr. L.P.A.M. Maes van MHK B.V. Accountants & Belastingadviseurs te Bergen op Zoom.
1. Het verloop van het geding.
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
1.1 het exploot van dagvaarding van 12 december 2005, met producties;
1.2 de conclusie van antwoord, met producties;
1.3 de conclusie van repliek, met producties;
1.4 de conclusie van dupliek, met producties;
1.5 de akte uitlating na dupliek.
De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.
2. Het geschil
Eiseres vordert na vermindering van eis, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van gedaagden om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een totaalbedrag van € 2.872,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2005 tot de dag van de algehele voldoening, en met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.
Gedaagden voeren verweer.
3. De beoordeling
3.1
De kantonrechter gaat onder meer uit van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten:
? Eiseres heeft in of omstreeks de maanden september 2003 tot en met mei 2004 aan gedaagden verkocht en geleverd, gelijk gedaagden van eiseres hebben gekocht en ontvangen, diverse artikelen, zoals vermeld op de aan gedaagden toegezonden en door deze behouden facturen, waarvan de kopieën aan de inleidende dagvaarding zijn gehecht;
? Gedaagden hebben de toegezonden facturen niet binnen de overeengekomen 60 dagen na factuurdatum voldaan;
? Eiseres heeft haar nog openstaande vordering op gedaagden ter incasso uit handen gegeven aan haar incassogemachtigde;
? De incassogemachtigde van eiseres heeft hierop gedaagden, in de persoon van gedaagde sub 2, bij brief van 27 oktober 2004 (productie 17 bij dagvaarding) tot betaling gesommeerd van een bedrag van € 8.333,24;
? Per faxbericht van 29 oktober 2004 (productie 18 bij dagvaarding) heeft gedaagde sub 3 schriftelijk gereageerd richting de incassogemachtigde van eiseres;
? Per faxbericht van eveneens 29 oktober 2004 (productie 19 bij dagvaarding) heeft de incassogemachtigde van eiseres aan gedaagden laten weten, dat zij -kort gezegd- geen genoegen wenste te nemen met het betaalbedrag van gedaagden;
? Gedaagden zijn tot en met februari 2005 doorgegaan met incidentele betalingen;
? Gedaagden hebben de door eiseres toegezonden rentefacturen onbetaald gelaten;
? Eiseres heeft van haar kant de door gedaagden gedane betalingen mede verrekend met de openstaande rentefacturen.
3.2
Eiseres baseert haar vordering (mede) op genoemde vaststaande feiten en stelt zich bij repliek op het standpunt, dat zij aan rentebedragen tot en met het 3e kwartaal 2004 van gedaagden nog een bedrag van € 1.132,74 te vorderen heeft. Hierbij komt volgens eiseres nog een bedrag van € 735,00 aan ten onrechte door gedaagden opgevoerde betalingen en een bedrag van € 1.004,32 aan buitengerechtelijke incassokosten, totaal derhalve een bedrag van € 2.872,06. Eiseres betwist bij repliek met gedaagden provisieafspraken te hebben gemaakt en daarom ook dat deze een tegenvordering op dit punt zouden hebben.
3.3
Namens gedaagden wordt bij antwoord en bij dupliek betwist, dat eiseres nog iets van hen te vorderen zou hebben. Het totale bedrag van de oorspronkelijke facturen is volgens gedaagden betaald. Tevens is volgens gedaagden de rentefactuur d.d. 23.01.2003 ad € 90,02 voldaan. De rentevordering ad € 1.103,84 (€ 1.132,74 minus € 90,02) valt volgens gedaagden geheel weg tegen hun tegenvordering ad 2x € 1.103,84 (kopiefacturen bij CvD) inzake verkoopprovisie ad 3% over de jaren 2002-2005. Deze provisieafspraken zijn volgens gedaagden destijds mondeling gemaakt met de heer Peter Jan Korthuis en de heer Ostermeier, vertegenwoordigers van eiseres.
3.4
De kantonrechter merkt allereerst op, dat het indienen van een tegenvordering (eis in reconventie) op grond van artikel 137 Rv dadelijk bij antwoord dient te worden ingesteld.
Nu gedaagden pas bij dupliek met hun tegenvorderingen komen, zal de kantonrechter gedaagden ambtshalve niet-ontvankelijk verklaren in hun tegenvordering/eis in reconventie.
3.5
Het niet-betwiste bedrag van de rentevordering van eiseres ad € 1.103,84 ligt hiermee voor toewijzing gereed. Eiseres is bij repliek niet ingegaan op de stelling van gedaagden bij antwoord, dat een rentevordering ad € 90,02 is voldaan. Bij ontbreken van betwisting gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stelling van gedaagden op dit punt. De rentevordering wordt aldus hierna slechts toegewezen tot een bedrag van € 1.103,84.
3.6
Eiseres betwist aanvankelijk bij repliek, dat het bedrag van € 384,00 en van € 351,00 aan haar zou zijn betaald omdat deze betalingen niet haar facturen zouden betreffen. Namens gedaagden wordt bij dupliek aangevoerd, dat deze bedragen wel degelijk aan eiseres zijn overgemaakt. Bij akte uitlating wordt namens eiseres aangevoerd, dat deze bedragen deel zouden uitmaken van al in de dagvaarding (pagina 4) genoemde bedragen van respectievelijk € 1.661,00 en € 1.258,75. De kantonrechter kan eiseres vervolgens echter niet volgen in haar stelling, dat kennelijk ontvangen bedragen vervolgens ten onrechte in mindering zouden zijn gebracht. De kantonrechter zal dat gedeelte van de vordering van eiseres dan ook afwijzen.
3.7
Wat betreft de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal de kantonrechter hierna conform de gebruikelijke staffel een bedrag van € 833,00 toewijzen. Het meer gevorderde is naar het oordeel van de kantonrechter bovenmatig.
3.8
Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wel worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
4. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart gedaagden niet-ontvankelijk in hun tegenvordering;
veroordeelt gedaagden om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van € 1.936,84, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2006 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding, aan de zijde van eiseres tot deze uit-spraak begroot op € 613,93, waaronder begrepen € 350,00 als salaris voor de gemachtigde van eiseres;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders door eiseres gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 19 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.